Kompas gebruiken

Het kompas (Italiaans compassare = afpassen) is een hulpmiddel bij de plaatsbepaling. Het is
bekend dat het kompas al ongeveer in het jaar 2500 v. Chr. in China werd ontwikkeld.


De werking van een kompas is vrij simpel. Het is eigenlijk niets anders dan een magnetische
naald die naar het Noorden wijst. Dit magnetische Noorden valt niet samen met het
Geografische Noorden. De afwijking wordt declinatie genoemd. Deze declinatie (hoek) kan
per regio verschillen en moet op het kompas gecorrigeerd worden of steeds worden berekend,
wanneer u een kompas heeft zonder declinatie-correctie.
Bovendien zijn de magnetische velden op de wereld niet overal even sterk. Daardoor kan de
naald van het kompas zover uit balans raken, dat ze tegen het glas van de roos komt vast te
zitten en dus niet meer werkt. Dit effect heet inclinatie.
De meeste kompasfabrikanten produceren meerdere kompasrozen om dit probleem op te
lossen. Alleen RECTA gebruikt een speciale naaldconstructie waardoor er slechts twee
kompasrozen nodig zijn: één voor het Noordelijk Halfrond en één voor het Zuidelijk.
Bovendien kun je met een RECTA bestemd voor het Noordelijk Halfrond toch nog
probleemloos uit de voeten tot zelfs een deel van inclinatiezone 4 van het Zuidelijk Halfrond.
Inmiddels is er een kompas dat werkt over de gehele wereld: het “Global system”. Dankzij
een uniek naaldsysteem, waarbij de naald gescheiden is van de magneet kan dit kompas ruim
20° inclinatie aan zonder dat dit ook maar enige invloed heeft op de naald. De
kompasgebruiker kan nu hetzelfde kompas overal ter wereld gebruiken, van Alaska tot
Tasmanië. Door de extra sterke magneet te scheiden van de naald is de lichtere naald
bovendien stabieler en reageert het kompas sneller.

Werken met een kompas


1. Orienteren met de kaart
·  Peilingshoek op het kompas N = 0º instellen
·  Het kompas in noordelijke richting langs het raster op de kaart leggen
·  Kaart met kompas zo lang draaien tot de N-punt van de naald tussen de N-tekens ligt
Opmerking: In de regel is het noorden boven aan de kaart. Bij kaarten zonder N-Z-raster
is het aan te bevelen de N-Z-lijnen in het betreffende gebied in een afstand van 3-4
centimeter in te tekenen.

2. De richtingshoek (azimut)
De richtingshoek is de hoek tussen het geografische noorden en de looprichting en wordt
ook wel azimut genoemd. Het getal is direct van de schaalverdeling af te lezen. Meestal is
dat een 360º-verdeling, op speciaal verzoek is bij sommige modellen ook een indeling in
6400‰ (artillerie-promille, ook wel NATO genoemd) of 400 gon verkrijgbaar.

3. Peilen met behulp van een spiegel
De RECTA-kompassen van de DP- en DS-serie hebben, dankzij de spiegel, het voordeel
dat ze nauwkeurig en gebruiksvriendelijk de looprichting kunnen peilen. Door deze
constructie kan gelijktijdig het object en het kompas bekeken worden, vergelijkbaar met
een vizier bij een geweer.
Om je eigen as draaien en daarbij de rode N-punt van de naald tussen de N-tekens van de
roos instellen. Via het vizier kunt je op die manier heel eenvoudig de bestemming
bepalen.

4. Voor een ruwe bepaling van de richting
«Uit de losse hand» houdt je het kompas op taillehoogte. Nu kun je het heen en weer
bewegen van de kompasnaald van bovenaf bekijken en de richting aflezen.

5. Bepalen van een in het terrein zichtbaar punt
·  Peil het te bepalen punt met het kompas aan en stel de richtingshoek in door de
kompasroos te draaien (tot de N-tekens van de roos overeen komen met het noorden
van de naald).
·  Teken de (eigen) positie op de kaart in.
·  Leg het kompas op de kaart, richt de voorkant op de eigen positie en draai vervolgens
het kompas (blijf de voorkant op de eigen positie gericht houden) tot de N-Z-lijnen
van de roos parallel aan het raster van de kaart liggen.
·  Het te bepalen punt ligt nu op de lijn die langs de zijde van het kompas loopt. Door de
afstand te schatten kunt je nu het gewenste punt lokaliseren.

6. Bepalen van de eigen positie
Op dezelfde wijze als onder punt 5 beschreven kan ook de eigen, onbekende positie
worden berekend:
·  Peil een bekend punt in het terrein aan en stel de richtingshoek in.
·  Leg het kompas op de kaart met de lange zijde bij het richtpunt en draai tot de N-Zlijnen
van de kompasroos parallel aan het N-Z-raster van de kaart liggen.
·  Teken vanuit het peilpunt een lijn parallel aan de lange zijde van het kompas, richting
voorkant van het kompas.
·  Peil een tweede punt en herhaal de voorgaande procedure. De hoek tussen de twee
punten dient bij voorkeur in de buurt van 90º te zijn. Op die manier wordt het snijpunt
nauwkeuriger bepaald.
·  Het snijpunt van de twee lijnen is de eigen positie.

7. Ontwijken van een hindernis
Indien kleine hindernissen de weg versperren (struikgewas, moeras, heuvels, meren) kan
de looprichting op de volgende wijze worden aangehouden:
·  Sla tijdig voor het bereiken van de versperring de uitwijkroute in. De N-naald tussen
een van de twee uitwijktekens instellen. Tel de stappen in de nieuwe richting.
·  Zo gauw de weg vrij is, weer in de normale richting verder gaan, parallel aan de
oorspronkelijke richting.
·  Zo gauw de versperring voorbij is en de hindernis ontweken is, de tegenover liggende
uitwijkroute inslaan. De N-naald wordt onder de andere uitwijktekens ingesteld. Je
dient het zelfde aantal stappen deze tweede uitwijkroute te lopen.
·  Vervolgens kunt je in de oorspronkelijke looprichting doorgaan.

De kompassen in de op deze site aangeboden manchetknopen zijn niet zo nauwkeurig als bovengenoemde kompassen, maar werken wel echt.